




















|
|
Pedagogiek
In november 1997 gaf P. de Knop, Hoogleraar aan de Vrije
Universiteit Brussel en bijzonder hoogleraar aan de K.U. Brabant een
voordracht ter gelegenheid van het symposium 'minisport'. Bij deze lezing
stond hij stil bij de voorwaarden waaraan sport voor jonge kinderen zou moeten
beantwoorden en beschreef hij de ontwikkelingspsychologische en pedagogische
criteria voor jeugdsport.
Omdat dit onderwerp precies aansluit bij datgene waar Adrie
Noij voor staat; het verzorgen van een goede minitraining en omdat het
bijzonder interessant was, willen wij u dit niet onthouden. Op deze pagina
vind u een korte samenvatting.
De betekenis van een ontwikkelingspsychologisch perspectief
Mensen zijn voortdurend in ontwikkeling maar kinderen het
meest. Met ontwikkelingspsychologisch perspectief wordt bedoeld dat kinderen
activiteiten worden aangeboden en dat kinderen worden begeleid met als
perspectief hun ontwikkeling.
Dit betekent dus dat er uitgegaan moet worden van wat er al
ontwikkeld is bij kinderen en dat er gestreefd moet worden naar
dat wat ontwikkeld kan worden. (m.a.w. het aanbod moet
haalbaar zijn).
De betekenis van een ontwikkelingspsychologisch perspectief voor de
jeugdsport.
Er zijn verschillende domeinen van ontwikkeling:
- Fysieke ontwikkeling - heeft te maken met bewegen en
lichamelijke groei.
- Psycho-sociale ontwikkeling - heeft te maken met het leren
van waarden en sociale en emotionele ontwikkeling.
- Cognitieve ontwikkeling - heeft te maken met het denken.
Al heeft elk kind een eigen niveau van ontwikkeling, er zijn
toch ook algemene leeftijdskenmerken te onderscheiden. De verschillende
domeinen staan hierbij sterk met elkaar in verband.
Ontwikkelingskenmerken van jonge kinderen (6-10 jaar).
- Fysieke ontwikkeling
- Kinderen hebben een grote bewegingsdrang,
ze zijn steeds bezig.
- Kinderen leren op deze leeftijd gemakkelijk
nieuwe bewegingen - daarom noemt men dit de gouden leeftijd.
- Het aërobe uithoudingsvermogen neemt toe.
- Het reactievermogen bereikt rond de
leeftijd van 10 jaar een relatief goed niveau.
- Door bewegingservaring, dus een verbeterde
coördinatie ontwikkelt de functionele kracht zich verder; snelheid en
springkracht zijn voor verbetering vatbaar, krachttraining met gewichten kan
beter vermeden worden.
- Psycho-sociale ontwikkeling
- Het kind wordt minder egocentrisch en gaat
zich 'groot' voelen.
- In de prestatie-oriëntatie ligt het accent
op leren (taak- georiënteerd).
- Kleine kinderen hebben vaak een
onrealistisch zelfbeeld, dat relatief onafhankelijk is van externe criteria.
Als ze ouder worden nemen ze meer externe informatie op waardoor hun
zelfbeeld beter aansluit bij externe criteria en dus realistischer wordt.
- Kinderen maken op deze leeftijd nog weinig
onderscheid tussen de moeilijkheidsgraad van een opdracht en hun eigen
bekwaamheid. Ze hebben weinig inzicht in het relatieve belang van
bekwaamheid en inspanning in het verklaren van het al dan niet succes
hebben.
- Het gezin neemt een steeds minder
belangrijke plaats in ten opzichte van leeftijdsgenoten.
- Kinderen leren hoe de sociale structuren
zijn opgebouwd (hoe de groep in elkaar zit, wie de leider is..) en hoe deel
uit te maken van een groep.
- Met vriendje / vriendinnetje worden vooral
activiteiten en speelgoed gedeeld.
- Cognitieve ontwikkeling
- In deze fase verruimen de mogelijkheden van
het geheugen en neemt het concentratievermogen toe.
- Het kind is zeer creatief en gebruikt veel
fantasie bij het spelen.
- Het wordt gekenmerkt door een grote
nieuwsgierigheid en leer graag bij, zowel feiten als vaardigheden, als het
hiertoe gestimuleerd wordt.
Spelregelbewustzijn bij kinderen
en de rol van de trainer en scheidsrechter
Bij kinderen speelt de ontwikkeling van het bewustzijn een
belangrijke rol. Het accepteren van regels is daarbij net zo belangrijk als
het begrijpen van regels. Regels worden pas geaccepteerd als ze worden
begrepen. Spelregels kunnen pas redelijk worden toegepast als kinderen 6 a
7 jaar zijn (niveau 1). Omdat het toepassen van spelregels voor kinderen
zo moeilijk is, is het ook van belang ze zodanig aan te passen, dat het spel
speelbaar blijft en dat kinderen er plezier aan beleven. Vaak betekent dit dat
meer en andere spelregels nodig zijn om het spel in goede banen te leiden
(grootte van speelveld, nethoogte, serveren vanuit veld,
) en minder technische
eisen worden gesteld (wanneer een bovenhandse bal als dragen moet worden
beschouwd is voor veel kinderen onder de 10 niet te begrijpen.
De visie van
de NeVoBo: spel aanpassen aan....
In de visie van de NeVoBo moet het spel aangepast worden aan
het kind. Dit betekent dat spelregels, veldgrootte en spelvorm aangepast zijn
aan de ontwikkelingsfase van het kind. Daarbij is het van belang dat onderzoek
heeft aangetoond dat het aspect "winnen" niet het belangrijkste element is.
Als dat wel het geval is, blijkt dat veel kinderen hun eigen bekwaamheid te
laag gaan beschouwen. Het gevolg daarvan is dat ze stoppen met volleybal. Het
is beter uit te gaan van een model, waarin de regels de kans op succes voor
iedere deelnemer vergroten. We kunnen daarbij kijken naar het verschil tussen
formele en informele spelen. Formele spelen zijn georganiseerde sporten,
bijvoorbeeld gecontroleerd door volwassenen, informele spelsituaties worden
gecontroleerd door de spelers zelf.
Uit interviews met deelnemers aan formele spelen blijkt dat
kinderen geïnteresseerd zijn in 4 punten:
- actie, met name scoren;
- persoonlijke betrokkenheid;
- een uitdagende wedstrijd;
- mogelijkheden om vriendschappen te ontwikkelen.
Onderstaande punten verklaren waarom circulatievolleybal
zo'n succes is. Kinderen kunnen op jonge leeftijd scoren en moeilijke acties
maken om de bal van de grond te houden. Maak de teams klein, 4 à 5 man, zodat
iedereen speelt! Omdat je alleen een punt krijgt bij het leeg spelen van het
veld van je tegenstander krijg je uitslagen met kleine verschillen.
Er is sprake van succesbeleving als je
als laatste je team kunt redden. Je
vormt een team en bent in staat vriendschappen te ontwikkelen.
Het plezier als uitgangspunt
We hebben een duidelijke keuze gemaakt: de spelregels staan
in dienst van het spelplezier. Dat betekent dat we bij minivolleybal niet
kiezen voor een programma dat gericht is op "winnen", maar veel meer voor een
programma dat gericht is op plezier, gekoppeld aan een competitie element. Dat
heeft dan wel gevolgen voor de manier waarop trainer en scheidrechters omgaan
met het aanbieden en regelen van het volleybalspel. Elke minivolleyballer, of
het nu een hoge of lage vaardigheid heeft, moet succes kunnen beleven. Dat
doet de jeugdige vooral door te leren zijn prestatie niet af te meten aan
winst in een wedstrijd, maar veel meer te kijken naar zijn persoonlijke
vooruitgang in vaardigheid. Bij elk niveau van minivolleybal moeten immers
nieuwe vaardigheden geleerd worden. De vooruitgang wordt veroorzaakt door de
eigen bekwaamheid en de inspanning die de sporter levert om de eigen
bekwaamheid te vergroten. De vraag is hoe de trainer de speler kan leren zijn
prestatie te evalueren aan de hand van de vergroting van de eigen vaardigheid
en de scheidsrechter de regels zodanig kan toepassen dat hij ook een positieve
bijdrage levert.
Voor scheidsrechters betekent dit dat ze regels flexibel
moeten toepassen, afhankelijk van de vaardigheidsniveaus van de minispelers.
Dit betekent dat spelers ook op die manier moeten worden opgevoed.
Uiteindelijk zal dit tot gevolg hebben, dat deelnemers met meer plezier, en
met als doel, een grotere persoonlijke vaardigheid te ontwikkelen, het
volleybalspel spelen.
Bij minivolleybal wordt dus niet scherp op techniek
gefloten. Het spelen, de bal in het spel houden is het belangrijker. Bij
minivolleybal is het spel al een doel op zich. Dat wil zeggen dat het moment
van spelen belangrijk is. Dat moment moet speels, leuk, attractief en vol
beweging zijn. Tel daarbij op dat kinderen niet komen om op de bank te zitten,
dan ligt het voor de hand dat we circulatie- minivolleybal zo inrichten dat
het volledig tegemoet komt aan de belevingswereld van het kind. Dat betekent
het hanteren van de indraairegel, het gebruiken van de vanggooi- beweging, het
serveren vanuit het veld enzovoort. De
6 niveaus gaan uit van wat een
gemiddeld kind van die leeftijd zou moeten kunnen !
Laatinstromers of minderbegaafde mogen echter een niveau lager spelen!
De vaardigheidsniveau zijn verdeeld in 6 niveaus.
Niveau 1: Er zijn informele
spelregels , in feite moeten vangen en gooien nog ontwikkeld worden.
Niveau 2: De bal wordt met een onderhandse serve vanuit het veld in het
spel gebracht, balbaan- herkenning en vangen en werpen worden verder
ontwikkeld en nemen op het einde van het seizoen al volleybaleigen bewegingen
aan. Er wordt gaandeweg het seizoen een begin gemaakt met
onderarms spelen! Coaches begeleiden en stimuleren het spel.
Niveau 3: De bal wordt vanuit het veld geserveerd. Het vangen en gooien
wordt gestimuleerd op een volleybaleigen manier: strekworp, swingworp, met
gestrekte handen vangen en gooien, in een kommetje vangen. De coach blijft
inspireren en begeleiden. Plezier en ontwikkelingsperspectief blijft centraal
staan.
Niveau 4: Nieuw is het serveren vanachter de achterlijn, de vanggooi-
beweging, drie maal spelen en bovenhands spelen. In de korte
seizoenvoorbereiding moeten kinderen veel nieuwe vaardigheden ontwikkelen,
scheidsrechters moeten zich hier van bewust zijn.
Niveau 5: Er wordt op een groter veld gespeeld en de bal mag niet meer
gevangen worden. Achteroverspelen en serveren vanachter de 6 meterlijn zijn de
nieuwe vaardigheden. 3 Maal spelen wordt met een bonuspunt
beloond. Kinderen draaien gewoon in vanuit de wachtkamer.
Niveau 6: Op de tip en de smash wordt geoefend en de serve mag
bovenhands als de mini vaardig genoeg is geworden .
Scheidsrechters zullen na het lezen van dit stuk een modus
moeten vinden. Toch is er behoefte aan concrete informatie, want tijdens
minitoernooien wordt vaak maar eenmaal per jaar gefloten, door veelal jonge en
onervaren scheidsrechters.
Daarom de volgende richtlijnen:
Op niveau 1,2 en 3 begeleidend fluiten dat wil zeggen
weinig affluiten maar wel sturen, corrigeren en eventueel waarschuwen.
Maak afspraken aan het begin van het toernooi wat goed is en wat niet kan!
Bovenhands: Kinderen leren volleybal van langcontact naar kort
contact, het licht dragen van de bal is toegestaan in deze ontwikkelingsfase,
maar duidelijk vangen en gooien moet afgefloten worden. Overigens straft een
slechte techniek zichzelf.
Vanggooi- beweging: In het begin van het seizoen hebben de kinderen nog
problemen om de vanggooi- beweging vloeiend te spelen, dit zal tijdens het
seizoen beter gaan. Maar een bal opvangen je omdraaien en dan gooien dient
afgefloten te worden.

Plezier staat voorop bij minivolleybal. |