




















|
|
TIPS VAN ADRIE
3 Aspecten moeten altijd in een
training aanwezig zijn:
-
1.
Plezier:
-
Heel belangrijk is dat plezier centraal
staat.
-
Als kinderen echt gemotiveerd zijn om te
sporten zullen ze beter en meer leren. (haalbare opdrachten, speelse vormen,
sportspecifiek, globale spelen)
-
2. Veel bewegen:
-
Kinderen moeten veel bewegen. In onze
huidige maatschappij zijn de spontane bewegingsmogelijkheden veel beperkter
geworden. Vroeger was er meer vrij spel op straat mogelijk.
-
Het komt er nu op aan om kinderen veel
te laten bewegen.
-
3.
Leeraspect:
-
De bedoeling is dat kinderen het spel
leren. Dit leren situeert zich niet alleen op het technisch/tactisch vlak
maar ook op het sociale vlak. Kinderen moeten immers naast het leren van
technieken, het ontwikkelen van fysieke conditie en het oplossen van
sportsituaties ook leren zich tijdens en na de wedstrijden te gedragen, hoe
om te gaan met anderen en hoe zelf verantwoordelijkheid in de sport te
nemen. (techniek, tactiek, sociale omgang, gedrag fair- play,
zelfstandigheid)
Bij mini-jeugd is het contact met
ouders belangrijk, organiseer eens een demonstratietraining of ouderdag en
vertel hun waar je mee bezig bent, je rekruteert tevens veel kader.
-
Bij mini-jeugd gaat het in
eerste instantie om de uitvoering, de prestatie komt later wel.
-
Stimuleer mini’s om ook buiten de
training te oefenen. Wie kan het eerst 50 ballen toetsen; schema’s maken
zodat ze de progressie kunnen meten helpt daarbij.
-
Doe geen rek of strekoefeningen bij
mini’s.
-
Laat laat-instromers extra trainen zodat
ze weer in een groep van leeftijdsgenoten kunnen spelen
-
Laat talenten hooguit een niveaugroep
hoger spelen . Dit voorkomt sociaal-emotionele problemen
-
Laat motorisch mindere kinderen een
langer motorisch basisprogramma draaien.
Onderzoek wijst uit dat je het makkelijkst leden werft op
niveau 1, 2 en 3. Van alle nieuwkomers komt 70% daar binnen 20% op niveau 4,
5, 6. Slechts 10 % na niveau 6.
-
Probeer je in de belevingswereld van het kind te
verplaatsen en spreek ze in hun taal aan.
-
Zorg voor simpele heldere oefeningen en voorkom
“tafficjams” (kinderen in rijtjes)
-
o
Train mini’s altijd met een lengtenet. Veelal 1
tegen 1, 2 tegen 2, of 3 tegen 3. Je genereert dan veel balcontacten.
-
Zorg op een training altijd voor een
goed voorbeeld. Kinderen leren in plaatjes.
-
o
Laat niet altijd dezelfde kinderen met elkaar
oefenen, laat ze spelen met iedereen.
-
Zorg voor de juiste
ballen dat versnelt het leerproces.
-
Niveau 1, 2 - MGV 200 of de Trial ultima 27
-
Niveau 3, 4 - MGV 200
-
Niveau 5, 6 - SV-2 (nieuw sinds 7-04) of de
Vul 500.
-
Voor meer informatie over de
diverse ballen, zie onze shop.
-
Geef
niet te veel informatie ineens, kinderen zijn selectief.
-
Werk veel met sportspecificiteit. Bij wedstrijden moet men
tegemoet komen aan het karakter van een bepaalde sport, de
sportspecificiteit.(circulatievolley, minivolley). Oefenen en herhalen brengt
een bepaalde saaiheid met zich mee wat tegen de natuur van het kind is. Het
is dus belangrijk om verschillende oefenvormen te vinden waar alles van de
eigenlijke sport inzit en weinig abstracte vormen aan te bieden.
-
Mini
spelers zijn niet geschikt voor anaërobe inspanningen omdat ze moeilijk
melkzuur aanmaken.
-
Ga
vanaf week 4 twee maal per week trainen, volleybal is een technische sport
het plezier zal toenemen.
-
Train op zaterdagmorgen; je zult veel kader vinden om te
helpen.
-
Wees
consequent met je afspraken die je in het begin van het seizoen maakt.
-
Organiseer nevenactiviteiten, die zullen de onderlinge band
versterken b.v. jeugdkamp.
-
School mini’s altijd allround, switch aan het net niet!
-
Laat
mini’s vaak tellen dat verhoogt de concentratie. Wie kan een serie van 10
maken? Wie heeft het eerst 20 punten?
-
Werf
kinderen vooral aan het einde en begin seizoen, ze moeten van hun ouders
meestal het seizoen afmaken. Dus in mei en augustus.
|