




















|
|
Spelregels Circulatieminivolleybal Nevobo
07-10
Niveau 1
LEEFTIJD: 6 - 7 JAAR
AANTAL SPELERS: 4 SPELERS PER
TEAM
VELDAFMETING: 6 X 4,5 METER
NETHOOGTE: 2 METER
Doel
De spelers proberen de bal over het net
bij de tegenstander in het veld op de grond te krijgen.
Aanvang
De bal mag vanaf elke plaats in het veld
over het net worden gegooid.
Het net mag daarbij door de bal geraakt
worden.
De spelleider hoeft geen fluitsignaal
te geven bij de beginbal. De beginbal dient zo snel mogelijk gespeeld te worden
om de vaart in het spel te houden.
Spelregels
-
1.
Wanneer een speler de bal over het net gooit,
draait de hele ploeg waartoe de speler behoort een plaats door, met de klok
mee. Doordraaien is verplicht.
-
2.
De spelers mogen niet lopen met de bal.
-
3.
Wanneer de afstand tot het net te groot is, mag
de bal naar een teamgenoot overgegooid worden en daarna moet de bal over het
net gegooid worden.
-
4.
De bal mag het net raken.
-
5.
De bal mag via een teamgenoot gevangen worden.
-
6.
Wanneer een speler de bal laat vallen, de bal
uitgooit, de bal in het net gooit of de bal aanraakt voordat deze uit is,
moet deze speler het veld verlaten en naast het veld bij het net
plaatsnemen.
-
7.
Wordt de bal door de tegenstander op de grond
gegooid, dan verlaat de speler die het dichtst bij de bal stond het veld.
-
8.
Als er nog maar twee spelers in het veld staan,
wisselen de spelers telkens van plaats nadat de ploeg de bal over het net
heeft gegooid.
-
9.
Als het veld van de tegenstander ‘leeg’ is,
krijgt het team één punt.
-
10.
Een speler mag in het veld terugkeren bij één
(1) vangbal van een ploeggenoot.
-
11.
De speler die het langst buiten het veld staat,
staat het dichtst bij het net en mag als eerste in het veld terugkeren.
Wanneer is het spel
dood?
Het spel is dood wanneer de bal niet
gevangen wordt, d.w.z.
- de bal is uitgegooid
- een speler heeft de
bal laten vallen
- de bal is in het net
gegooid
- de bal is in het veld
van de tegenstander op de grond gegooid
Wat gebeurt er als
het spel dood is?
Het spel wordt direct hervat met een
worp door degene die op dat moment de bal heeft, ergens vanuit het veld. De
essentie hiervan is dat het spel zo snel mogelijk weer hervat wordt: het aantal
balcontacten neemt op deze manier toe.
Telling
Wanneer het veld van de tegenstander leeg is, krijgt het winnende team een punt
en begint het spel opnieuw met vier tegen vier spelers.
|
|
Niveau 2
LEEFTIJD: 6 - 7
JAAR
AANTAL SPELERS: 4 SPELERS PER
TEAM
VELDAFMETING: 6 X 4,5
METER
NETHOOGTE: 2 METER
Doel
De spelers proberen de bal over het
net bij de tegenstander in het veld op de grond te krijgen.
(Stimuleer het volleybalspecifiek gooien en vangen)
Aanvang/beginbal
De bal wordt vanaf elke plaats
in het veld met een onderhandse opslag over het net geslagen, waarbij de
bal het net mag raken. Ook vanaf de plaats waar een fout gemaakt werd,
wordt opgeslagen. Het is dus niet toegestaan om de bal naar de
tegenstander te rollen of naar een goed spelende teamgenoot. De essentie
hiervan is dat het spel zo snel mogelijk weer hervat wordt: het aantal
balcontacten neemt op deze manier toe.
De spelleider hoeft geen
fluitsignaal te geven bij de beginbal. De beginbal dient zo snel mogelijk
gespeeld te worden om de vaart in het spel te houden.
Spelregels
-
1.
Wanneer een speler de bal met een
onderhandse opslag over het net speelt, of de bal in de rally over
het net gooit, dan draait de hele ploeg waartoe de speler behoort, met
de klok mee, een plaats door. Doordraaien is
verplicht.
-
2.
De spelers mogen niet lopen met de bal.
-
3.
De bal moet in één keer over het net
gespeeld worden (en dus niet meer in twee keer, zoals bij niveau 1).
-
4.
De bal moet over het net worden gegooid
vanaf de plaats waar de bal gevangen is. Dit geldt voor binnen en buiten
de lijnen van het veld.
-
5.
De bal mag het net raken.
-
6.
De bal mag via een teamgenoot gevangen
worden.
-
7.
Wanneer een speler de bal laat vallen, de
bal uit gooit, de bal in het net gooit, de bal aanraakt voordat deze uit
is of de bal onjuist onderarms speelt, moet deze speler het veld
verlaten en naast het veld bij het net plaatsnemen.
-
8.
Wordt de bal door de tegenstander op de
grond gegooid, dan verlaat de speler die het dichtst bij de bal stond
het veld.
-
9.
Als er nog maar twee spelers in het veld
staan, wisselen de spelers telkens van plaats nadat de ploeg de bal over
het net heeft gegooid.
-
10.
Als het veld van de tegenstander ‘leeg’ is,
krijgt het team één punt.
-
11.
Een speler mag het veld in bij
drie vangballen
achter elkaar van zijn eigen team.
Vangballen of niet gevangen ballen van de
tegenstander hebben hier geen invloed op.
-
12.
Alle spelers mogen terugkeren in het
veld wanneer een speler de bal met twee armen via de onderarmse techniek
omhoog speelt en waarna de bal aan de eigen kant van het net gevangen
wordt.
-
-
Het onderarms opspelen is geldig
wanneer er minimaal een (volley)baldikte tussen het hoogste punt van de
bal en de armen van de speler zit.
-
-
Elke speler van het team mag de
bal vangen.
-
-
Na het vangen wordt de bal over
het net gegooid, zodat de rally door kan gaan.
-
-
Wordt de bal niet correct
opgespeeld of niet gevangen dan moet de speler die de fout maakt het
veld verlaten.
-
-
Na het terugverdienen vervallen
het aantal getelde vangballen (ook wanneer het opspelen en/of vangen is
mislukt).
-
13.
De speler die het langst buiten het veld
staat, staat het dichtst bij het net en mag als eerste in het veld
terugkeren. De speler geeft ter verduidelijking het aantal vangballen
aan door het juiste aantal vingers op te steken.
-
14.
Het in sprong over het net naar beneden
gooien van de bal (‘dunken’) is niet toegestaan.
Wanneer is het
spel dood?
Het spel is dood wanneer de bal niet
gevangen wordt, d.w.z.
- de bal is
uitgegooid
- een speler heeft
de bal laten vallen
- de bal is in het
net gegooid
- de bal is in het
veld van de tegenstander op de grond gegooid
Wat gebeurt er
als het spel dood is?
Het spel wordt direct hervat met een
onderhandse opslag vanuit het veld, daar waar het spel eindigde.
Advies: Houd rekening met de afstand
tot het net.
Telling
Wanneer het veld van de tegenstander leeg is, krijgt het winnende team een
punt en begint het spel opnieuw, waarbij beide teams weer met vier spelers
starten. |
|
Niveau 3
LEEFTIJD: 8 - 9
JAAR
AANTAL SPELERS: 4 SPELERS PER
TEAM
VELDAFMETING: 6 X 4,5
METER
NETHOOGTE: 2 METER
Doel
De spelers proberen de bal over het
net bij de tegenstander in het veld op de grond te gooien of te stoten. Dit
gebeurt door middel van volleybalspecifieke manieren van gooien en vangen.
Aanvang / beginbal
De bal wordt vanaf
elke plaats in het veld met
een onderhandse opslag over het net geslagen, waarbij de bal het net mag
raken. Ook vanaf de plaats waar een fout gemaakt werd, wordt opgeslagen.
Het is dus niet toegestaan om de bal naar de tegenstander te rollen of
naar een goed spelende teamgenoot. De essentie hiervan is dat het spel
zo snel mogelijk weer hervat wordt: het aantal balcontacten neemt op deze
manier toe.
De spelleider hoeft geen
fluitsignaal te geven bij de beginbal. De beginbal dient zo snel mogelijk
gespeeld te worden om de vaart in het spel te houden.
Spelregels
-
1.
Wanneer een speler de bal met een
onderhandse opslag over het net speelt, of de bal in de rally over
het net gooit, dan draait de hele ploeg waartoe de speler behoort, met
de klok mee, een plaats door. Doordraaien is
verplicht.
-
2.
De spelers mogen niet lopen met de bal.
-
3.
De bal mag het net raken.
-
4.
De bal mag via een teamgenoot gevangen
worden.
-
5.
Elke
bal die over het net gegooid wordt, moet door de tegenstander met twee
armen via de onderarmse techniek aan de eigen kant omhoog gespeeld
worden. Een teamgenoot vangt de onderarms opgespeelde bal (tenzij de
speler alleen in het veld staat) en gooit de bal over het net naar de
tegenstander.
-
-
De onderarms gespeelde bal mag
niet in één keer over het net gespeeld worden.
-
-
De onderarms gespeelde bal moet
met twee armen gespeeld worden.
-
-
Wanneer een speler alleen in het
veld staat dan moet hij de bal voor zichzelf omhoog spelen en vangen.
Het onderarms opspelen is geldig wanneer er minimaal een
(volley)baldikte tussen het hoogste punt van de bal en de armen van de
speler zit.
-
-
Wanneer een speler de bal onjuist
onderarms speelt (niet met twee armen en buiten bereik van teamgenoten)
dan moet hij het veld verlaten.
-
-
Wanneer een teamgenoot de
onderarms opgespeelde bal niet vangt, terwijl dit prima mogelijk is dan
moet deze speler het veld verlaten.
-
-
Een team is verplicht om twee
keer te spelen (onderarms spelen en over het net gooien).
-
6.
Het over het net gooien van de bal gebeurt
door middel van volleybaleigen manieren van gooien en vangen. Fouten die
moeten worden afgefloten zijn:
-
-
Een bal vanuit de nek gooien
-
-
Een bal van onder de kin wegstoten
-
-
Het uitvoeren van een slingerworp
-
7.
Wanneer een speler de bal laat vallen, de
bal uit gooit, uit serveert, de bal in het net gooit, de bal aanraakt
voordat deze uit is of de bal onjuist onderarms speelt,
moet deze speler het veld verlaten en in volgorde van verlaten naast het
veld bij het net plaatsnemen.
-
8.
Wordt de bal door de tegenstander op de
grond gegooid, dan verlaat de speler die het dichtst bij de bal stond
het veld. Bij twijfel wijst de trainer of coach de betreffende speler
aan.
-
9.
Als er nog maar twee spelers in het veld
staan, wisselen de spelers telkens van plaats nadat de ploeg de bal over
het net heeft gegooid.
-
10.
Als het veld van de tegenstander ‘leeg’ is,
krijgt het team één punt.
-
11.
Een
speler mag terugkeren wanneer een
teamgenoot de door hem onderarms
opgespeelde bal vangt of wanneer
de laatst overgebleven speler de bal voor zichzelf onderarms
opspeelt en vangt.
-
12.
Als de onderarms gespeelde bal prima te
vangen is, maar dit gebeurt niet goed, dan is dit een fout van
de speler die de bal had kunnen
vangen. Deze verlaat dan ook het veld.
-
13.
De speler die het langst buiten het veld
staat, staat het dichtst bij het net en mag als eerste in het veld
terugkeren.
Wanneer is
het spel dood?
Het spel is dood wanneer de bal niet gevangen wordt, d.w.z.
- de bal is
uitgegooid
- een speler heeft
de bal laten vallen
- de bal is in het
net gegooid
- de bal is in het
veld van de tegenstander op de grond gegooid
- een onderarms gespeelde bal wordt niet
gevangen door de eigen partij. In dit geval verlaat de speler die de bal had
kunnen vangen het veld, behalve wanneer de bal slecht gespeeld werd, dan
verlaat de betreffende speler het veld.
Wat gebeurt er
als het spel dood is?
Het spel wordt direct hervat met een onderhandse service vanuit het veld, zo
dicht mogelijk bij de plaats waar het spel eindigde. Degene die de bal
serveert mag er niet eerst mee lopen.
Telling
Wanneer het veld van de tegenstander leeg is, krijgt het winnende team één
punt en begint het spel opnieuw, waarbij beide teams weer starten met vier
spelers in het veld. |
|
Niveau 4
LEEFTIJD: 9 - 10
JAAR
AANTAL SPELERS: 4 SPELERS PER
TEAM
VELDAFMETING: 6 X 4,5
METER
NETHOOGTE: 2 METER
Doel
De spelers proberen de bal over het
net bij de tegenstander in het veld op de grond te spelen.
Aanvang
De bal moet van achter de gehele
achterlijn onderhands over het net geserveerd worden, waarbij het net
geraakt mag worden. De speler die op de “mid-achter
positie” staat moet serveren.
Spelregels
-
1.
Het team is verplicht de bal in drie
keer spelen.
-
2.
Het eerste en het derde balcontact mag met
zowel de onderarmse als de bovenhandse techniek gespeeld worden.
-
3.
Het tweede balcontact vindt plaats met een
verplichte ononderbroken vanggooi- of vangstootbeweging.
Deze kan op vier manieren uitgevoerd worden.
-
-
met gestrekte armen voorwaarts
-
-
met gestrekte armen achterwaarts
over het hoofd gooien
-
-
met gestrekte armen boven het hoofd
vangen, inveren en uitstoten
-
-
onder een hoek
-
4.
Tijdens de vanggooi- of vangstootbeweging
mag de speler zich niet omdraaien.
-
5.
Tijdens de vanggooi- of vangstootbeweging
mag de speler niet lopen met de bal.
-
6.
Tijdens de vanggooi- of vangstootbeweging
mag de speler de bal maximaal 2 seconden vasthouden (één sec. om te
vangen en één sec. om te gooien). Dit om meer snelheid in het spel te
houden
-
7.
De tweede bal mag niet over het net gegooid
worden.
-
8.
Na drie opslagbeurten achter elkaar door
dezelfde speler moet de ploeg aan opslag een plaats doordraaien en slaat
de volgende speler op.
-
9.
De wisselspelers moeten verplicht indraaien
op de opslagplaats.
-
10.
Er wordt niet meer doorgedraaid door
het team dat de bal over het net speelde.
-
11.
De aanval maakt nog geen structureel
onderdeel uit van het spel, smashen of pushen is dus niet toegestaan,
enkel ‘reddingen’ met één hand zijn toegestaan.
-
12.
Netfouten in verband met de veiligheid
dienen afgefloten te worden.
-
13.
Blokkeren is niet toegestaan.
Telling
Rallypoint: elke fout levert een punt op voor de tegenstander.
Motivatie
De tweede bal is in dit stadium van de volleybalontwikkeling de
moeilijkst te verwerken bal, omdat het bovenhands of onderarms spelen onder
een hoek nog veel problemen geeft. De kans op fouten is groot, waardoor het
spel vaker onderbroken moet worden. Door de tweede bal vanuit een
ononderbroken vanggooi- of vangstootbeweging door te spelen, blijft de rally
op gang. Stimuleer dat de tweede bal parallel aan het net gegooid wordt,
zodat de laatste speler in kan lopen alvorens de bal bovenhands over het net
te spelen. Bij een minder goede pass zal een speler de tweede bal uiteraard
vanuit het achterveld moeten spelen d.m.v. een ononderbroken vanggooi- of
vangstootbeweging. |
|
Niveau 5
LEEFTIJD: 10 - 11
JAAR
AANTAL SPELERS: 4 SPELERS PER
TEAM
VELDAFMETING: 6 X 6
METER
NETHOOGTE: 2 METER
Doel
De spelers proberen de bal
bovenhands of onderarms over het net bij de tegenstander in het veld op de
grond te spelen. Het streven moet zijn de bal in drie keer te
spelen.
Aanvang /
beginbal
De spelers moeten de bal verplicht
onderhands van achter de gehele achterlijn over het net serveren, waarbij
het net geraakt mag worden. De speler die op de
“mid-achter positie” staat moet serveren.
Spelregels
-
1.
Er mag geen enkele bal gevangen worden, de
spelers spelen door met kort balcontact.
-
2.
Het team mag de bal in maximaal drie keer
spelen, daarna moet de bal over het net naar de tegenstander.
-
3.
Het team dat de bal drie keer weet over te
spelen krijgt een bonuspunt. Dit bonuspunt wordt direct bij de score
opgeteld.
-
- Het bonuspunt telt alleen wanneer de derde bal
met een goede techniek over het net en in het veld van de tegenstander
wordt gespeeld of wanneer de derde bal direct gescoord wordt.
-
4.
De wisselspelers moeten verplicht indraaien
op de opslagplaats.
-
5.
De opslag wordt onderhands uitgevoerd.
-
6.
Wanneer degene die opslaat dit drie keer
achter elkaar heeft gedaan, moet het team doordraaien en gaat de
volgende speler opslaan.
-
7.
Wanneer iemand een bal uit stand met één
hand over het net slaat, is dit toegestaan. Een smash of pushbal in
sprong is niet toegestaan.
Telling
Rallypunt: elke fout levert een punt op voor de tegenstander.
Motivatie
De opslag op niveau 5 is verplicht onderhands zodat de ontvangende partij in
staat is de rally op te bouwen.
De kans dat het spel gaande blijft
is groter, waardoor het aantal balcontacten toeneemt. |
|
Niveau 6
LEEFTIJD: 11 - 12
JAAR
AANTAL SPELERS: 4 SPELERS PER
TEAM
VELDAFMETING: 6 X 6 METER
NETHOOGTE: 2 METER
Doel
De spelers proberen de bal
bovenhands, onderarms of door middel van een aanvallende actie (smash uit
stand, pushbal of smash uit aanloop) over het net bij de tegenstander in het
veld op de grond te spelen.
Aanvang
De spelers moeten de bal onderhands
of bovenhands van achter de gehele achterlijn over het net serveren, waarbij
het net geraakt mag worden. De speler die op de
“mid-achter positie” staat moet serveren.
Spelregels
-
1.
Er mag geen enkele bal gevangen worden, de
spelers spelen door met kort balcontact.
-
2.
Het team mag de bal maximaal drie keer
spelen, daarna moet de bal over het net naar de tegenstander.
-
3.
De wisselspelers moeten verplicht indraaien
op de opslagplaats.
-
4.
Wanneer degene die opslaat dit drie keer
achter elkaar gedaan heeft, moet het team doordraaien en slaat de
volgende speler op.
-
5.
Een sprongservice is toegestaan.
Telling
Rallypunt: elke fout levert een punt op voor de tegenstander. |
|