Niveau 6 – Bovenhandse opslag, smash/push
Doel
De spelers proberen de bal bovenhands, onderarms of door middel van een
aanvallende actie (smash uit stand, pushbal of smash uit aanloop) over het net
bij de tegenstander in het veld op de grond te spelen.
Leerdoelen
-
1. Bovenhands opslaan.
-
2. Slagtechniek - afzet - timing van de aanval.
-
3. Push of tipbal.
-
4. Een veelzijdige scholing is van groot belang:
iedereen geeft set-ups, iedereen valt aan. Géén switch of positiewisselingen.
-
5. Onderarms: onder hoeken spelen en verplaatsen.
-
6. Bovenhands voor- en achterwaarts en onder
hoeken spelen.
Aanvang
De spelers moeten de bal onderhands of bovenhands van achter de gehele
achterlijn over het net serveren, waarbij het net geraakt mag worden.
Spelregels
-
1. Er mag geen enkele bal gevangen worden, de
spelers spelen door met kort balcontact.
-
2. Het team mag de bal maximaal drie keer spelen,
daarna moet de bal over het net naar de tegenstander.
-
3. De wisselspelers moeten verplicht indraaien op
de opslagplaats.
-
4. Wanneer degene die opslaat dit drie keer achter
elkaar gedaan heeft, moet het team doordraaien en slaat de volgende speler op.
Telling
Rallypunt: elke fout levert een punt op voor de tegenstander.
Aanleren bovenhands opslaan
-
1. De bal met twee handen begeleiden tot
hoofdhoogte, vervolgens opgooien.
-
2. Uitstappen: rechtshandigen met links,
linkshandigen met rechts.
-
3. Bal met ontspannen open hand raken.
-
4. Eerst opslaan over korte afstand, later de
balbaan vergroten en gericht opslaan.
Aanleren aanval (rechtshandige spelers)
-
1. Kijk naar de bal (set-up), inschatten van de
balbaan, kiezen van het startmoment van de aanloop.
-
2. Aanloop; de laatste twee passen van de aanloop
zijn erg belangrijk!
-
De op één na laatste lange lage pas richting bal
is om je lichaam in goede positie te brengen t.o.v. de bal.
-
De twee armen worden onderlangs achterwaarts
gebracht. Begin remwerking.
-
3. De laatste pas is een aansluitpas, een rempas.
Als rechtshandige zet je de linkervoet haast dwars voor de rechtervoet, dus
bijna dwars op de aanlooprichting.
-
4. De voorwaartse snelheid moet omgezet worden in
hoogte.
a. De rempas blokkeert de voorwaartse richting
b. De armen worden onderlangs en voorwaarts actief omhoog gezwaaid. De armen
ondersteunen de afzet om hoogte te winnen.
-
5. De niet-slagarm blijft naar de bal wijzen en de
slagarm knikt in de elleboog achterwaarts. De onderarm blijft dus richting bal
wijzen. Pijl en boog effect!
-
6. De slagschouder draait naar achteren, van het
net af.
-
7. De slagbeweging wordt ingezet door de elleboog
voorwaarts te brengen. De onderarm ‘swingt mee’; zwaait eerst door naar
achteren en wordt vervolgens voorwaarts gegooid / meegetrokken.
-
8. Slaan van de bal met open hand
-
9. Landen op twee voeten, licht doorverend in de
knieën.
Bewegingsvoorstelling push of tip
-
a. Balbehandeling
· Pink en duim op dezelfde hoogte
· Vorm met de hand een kommetje zodat de speler maximale grip op de bal heeft
· Bij het wegspelen van de bal spanning op de vingers brengen door de vingers
te spreiden
· Elleboog wijst naar voren
· Arm strekken
· Bal met de vingers nawijzen
-
b. Aansluitpas
-
c. Timing zowel verticaal als horizontaal
-
d. Koppelen van a, b & c