De spelers proberen de bal over het net bij de tegenstander in het veld op
de grond te krijgen.(Stimuleer het volleybalspecifiek gooien en vangen)
Leerdoelen
-
1. De balcirculatie moet sneller worden, het
speeltempo komt hoger te liggen.
-
2. Verder leren spelers zich te oriënteren in
tijd, ruimte en aan de balbaan, de zogenaamde timing. Timing verkrijgen spelers
vanzelf door telkens weer de verschillende bewegingssituaties al spelend op te
lossen.
-
3. Aanleren opslag onderhands, waarbij het gaat om
de juiste technische uitvoering. Het aantal fouten blijft laag, doordat men
overal vanuit de eigen speelhelft mag opslaan.
-
4. Als leerdoel moeten de volleybaleigen manieren
van gooien en vangen een plaats krijgen in de voorbereiding op niveau 3.
Gedurende de ontwikkeling op niveau 2 gaat algemene balvaardigheid over in
volleybalspecifieke balvaardigheid. Op niveau 3 mag vervolgens alleen nog op
een volleybaleigen manier gevangen en gegooid worden.
Overzicht volleybaleigen vangen en gooien
Wijze van VANGEN Wijze van GOOIEN Als VOORBEREIDING
op
-
1 (niet van toepassing) Met één gestrekte arm
gooien Onderhandse opslag
-
2 Met gestrekte armen met linker / rechtervoet
voor Met gestrekte armen Onderarms spelen
-
3 Kommetje boven je hoofd Wegstoten Bovenhands
spelen
-
4 Boven je hoofd vangen met 1 hand achter de bal
Met 1 hand stoten Tip of pushbal
-
5 Voor of boven het lichaam vangen Met 1 arm
swingen Smash
Voorbereidingen op niveau 3
Stimuleer in een vroeg stadium de volleybaleigen vang en gooi technieken. Op
niveau 3 wordt het volgende afgefloten:
Een bal vanuit de nek gooien
· Een bal van onder de kin wegstoten
· Het uitvoeren van een slingerworp
Aanvang/beginbal
De bal wordt vanaf elke plaats in het veld onderhands over het net geslagen. Ook
vanaf de plaats waar een fout gemaakt werd, wordt opgeslagen. De essentie
hiervan is dat het spel zo snel mogelijk weer hervat wordt: het aantal
balcontacten neemt zo toe.
Spelregels
-
1. Wanneer een speler de bal over het net gooit,
draait de hele ploeg waartoe de speler behoort, met de klok mee een plaats
door.
-
2. De spelers mogen niet lopen met de bal.
-
3. De bal moet in één keer over het net gespeeld
worden (en dus niet meer in twee keer, zoals binnen niveau 1).
-
4. De bal mag het net raken.
-
5. Wanneer een speler de bal laat vallen, de bal
uit gooit, de bal in het net gooit of de bal aanraakt voordat deze uit is, moet
deze speler het veld verlaten en naast het veld bij het net plaatsnemen.
-
6. Wordt de bal door de tegenstander op de grond
gegooid, dan verlaat de speler die het dichtst bij de bal stond het veld.
-
7. Als er nog maar twee spelers in het veld staan,
wisselen de spelers telkens van plaats nadat de ploeg de bal over het net heeft
gegooid.
-
8. Als het veld van de tegenstander ‘leeg’ is,
krijgt het team één punt.
-
9. Een speler mag het veld in bij drie vangballen
achter elkaar van zijn team.
-
10. De speler die het langst buiten het veld
staat, staat het dichtst bij het net en mag als eerste in het veld terugkeren.
De speler geeft ter verduidelijking het aantal vangballen aan door het juiste
aantal vingers op te steken.
-
11. Het in sprong over het net naar beneden gooien
van de bal (‘dunken’) is niet toegestaan.
Wanneer is het spel dood?
Het spel is dood wanneer de bal niet gevangen wordt, d.w.z.
de bal is uitgegooid
- een speler heeft de bal laten vallen
- de bal is in het net gegooid
- de bal is in het veld van de tegenstander op de
grond gegooid
Wat gebeurt er als het spel dood is?
Het spel wordt direct hervat met een onderhandse opslag vanuit het veld,
daar waar het spel eindigde.
Advies: Houd rekening met de afstand tot het net.
Telling
Wanneer het veld van de tegenstander leeg is, krijgt het winnende team een
punt en begint het spel opnieuw, waarbij beide teams weer met vier spelers
starten.
Aanleren onderhandse service (rechtshandig)
Rechtshandige spelers in schredestand met de linkervoet voor, linkshandige
spelers met de rechtervoet voor.
-
1. Romp voorover en de knieën licht buigen. (de
speelster op de fotoreeks staat iets te rechtop)
-
2. Bal met gebogen arm ter hoogte van de
linkervoet voor het rechterbeen losjes op de linker handpalm.
-
3. Met de slagarm een aantal keren als een pendule
heen en weer zwaaien in de richting van het doel, waarbij met de andere hand de
bal lichtjes meebewogen wordt.
-
4. De bal met gestrekte arm en gespannen open
handpalm of met de binnenkant van de vuist uit de andere hand slaan.
Een goede uitvoering van de onderhandse opslag
geeft een hoog rendement